Taalbeleid in Afrika: meer ruimte voor Afrikaanse talen
'Spreek Frans, wees schoon' op de muur bij de Ayguatébia-Talau school (Pyreneeën)

Taalbeleid in Afrika: meer ruimte voor Afrikaanse talen

Vorige week vond de tiende editie van het Wereldcongres van Afrikaanse Taalkunde plaats. WOCAL is een driejaarlijks congres dat afwisselend op het Afrikaanse continent en elders plaatsvindt. Na Kameroen (2012), Japan (2015) en Marokko (2018) was nu Nederland aan de beurt om het te organiseren, en specifiek de afdeling Talen & Culturen van Afrika van Universiteit Leiden. In deze ad hoc-serie geven we een inkijkje in de Afrikaanse taalkunde van nu.

Eén van de workshops die onderdeel uitmaakten van het tiende Wereldcongres van Afrikaanse Taalkunde in Leiden deze maand was gewijd aan het taalbeleid in Afrika, met name op het gebied van onderwijs. Veel Afrikaanse landen hebben helemaal geen beleid, en waar dat wel het geval is, is het taalbeleid in feite een voortzetting van de situatie uit de koloniale tijd. Bijna overal is de oude koloniale taal ook de onderwijstaal, zeker in het middelbaar en hoger onderwijs. De problemen waartoe dit leidt werden tijdens het congres uitgebreid uit te doeken gedaan door de Tanzaniaanse Dr. Martha Qorro. In het Kiswahili zette zij helder uiteen hoe het vasthouden aan het Engels ertoe leidt dat studenten niet datgene bereiken waartoe ze intellectueel in staat zouden zijn; daarnaast leidt het tot vervreemding tussen kinderen en hun ouders en meer in het algemeen tot verspilling van schaarse onderwijsgelden. Zij pleitte voor een andere benadering, één die uitgaat van Afrikaanse talen als onderwijstalen.

Deze gedachtes werden verder uitgediept in de workshop, waarbij in drie sessies werd gekeken naar problemen met het huidige beleid, naar de situatie in verschillende landen en naar de veranderingen die voor de toekomst nodig zullen zijn.

Eén van de verbeteringen die in veel landen worden uitgeprobeerd bestaat eruit dat gebruik gemaakt wordt van de meertalige achtergrond die veel leerlingen hebben. Waar vroeger het gebruik van de eigen taal ronduit werd verboden, worden die tegenwoordig in meer en meer landen toegestaan en gebruikt. Door discussie en vragen in de eigen talen aan te moedigen worden betere resultaten behaald en wordt bovendien het aanleren van de officiële taal vergemakkelijkt. Maar die strategie, die nog lang niet overal wordt toegepast, kent zo z’n problemen. Zo is het in veel landen niet automatisch zó dat bij de plaatsing van leraren rekening wordt gehouden met de talen die de leerlingen in dat gebied spreken. Zo kan iemand die als moedertaal het Kihehe heeft (uit het zuiden van Tanzania) zomaar op een school in het noordwesten ingedeeld worden, waar ze het Kiha spreken – zo kunnen kinderen alsnog niet hun vragen in de eigen taal stellen. Bovendien: als de taal van de examens niet verandert zullen op dat punt toch de leerlingen die minder begaafd zijn in taal (of waarvan de ouders minder bijles hebben kunnen betalen) eerder afvallen.

Ook buiten het onderwijs leidt dit tot problemen, zoals bijvoorbeeld besproken door Endurence Dissake, die studie deed naar taalgebruik in rechtbanken in Kameroen. Er zijn bijvoorbeeld Franstalige rechters die het op het Engels gebaseerde pidgin niet verstaan, en vice-versa. Doordat rechters en de mensen die voor de rechtbank komen elkaar niet kunnen verstaan wordt de toegang tot het recht belemmerd en kunnen allerlei misverstanden ontstaan.

Er zal dus een volgende stap gezet moeten worden in de richting van een taalbeleid waarin Afrikaanse talen meer gebruikt worden, maar eenvoudig is dat niet. Eén van de landen die relatief het verst gevorderd zijn is Marokko, waar het Amazigh (Berber) sinds enige jaren de status van officiële taal heeft. Yassine Boussagui liet echter zien hoe het huidige beleid faalt in het werkelijk bieden van gelijke kansen aan het Amazigh en haar sprekers.

Matthew Harley besprak de ingewikkelde situatie in Nigeria, waar minstens 500 talen gesproken worden (zie ook dit stuk) en stelde voor om de zestien talen met de meeste sprekers in dat land als onderwijstalen te gebruiken. Maar: een wetenschappelijke onderbouwing voor een dergelijke keuze en een strategie voor invoering ontbreken vooralsnog.

Aan het eind van de workshop bleven dus nog veel vragen onbeantwoord: tot hoe lang kan de huidige situatie nog voortduren – wanneer zijn de grenzen van het huidige beleid bereikt? Wat moeten de principes zijn die een keuze voor Afrikaanse talen rechtvaardigen? Hoe kan de invoering daarvan praktisch en rechtvaardig worden vormgegeven? Om tot goede antwoorden komen zal nog heel wat werk verzet moeten worden. Er is dus nog een lange weg te gaan, maar de eerste stappen zijn gezet.

De ideeën in deze bijdrage zijn verder uitgewerkt in Bert van Pinxteren’s proefschrift ‘Language, Education and Identity in Africa’, dat hij op 16 september 2021 zal verdedigen.