Interview: Felix Ameka

Interview: Felix Ameka

In deze serie interviewt Pieter Muysken prominente Afrikaanse taalwetenschappers die in het Nederlandse taalgebied werken. Deel 3: Prof. Felix Ameka (Universiteit Leiden). Felix K. Ameka is een vooraanstaand taalkundige met wortels in Ghana, Australië, en Nederland. In december 2020 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar Ethnolinguistic Vitality and Diversity.

Kan je wat over jezelf vertellen? Waar ben je opgegroeid?

Ik groeide op in verschillende plaatsen midden in wat nu de Volta Region is, in zuid oost Ghana. Mijn vader was onderwijzer op de basisschool en daarom verhuisden we van dorp naar dorp – van mijn geboortedorp, Anfoega Wademaxe, naar Aveme Danyigba, naar Anfoega Bume, allemaal nog voordat ik vier was. Daarna verhuisden we naar Alavanyo waar ik naar de basisschool ging. Na een paar jaar verhuisden we weer naar mijn geboortedorp tot mijn eerste jaar in de Middle School. Mijn tweede jaar in de Middle School zat ik in een ander dorp, Leklebi Kame, op de grens tussen Ghana en Togo. Ik slaagde voor het toelatingsexamen voor de middelbare school en werd toegelaten op het Bishop Herman College, een katholieke kostschool voor jongens in Kpando, waar een Nederlandse S.M.A. pater, wijlen Frater C. L. Priems, de scepter zwaaide (zijn bijnaam was Kodzo, omdat hij op een maandag geboren was). Ik had de eer hem jaren later hier in Nederland weer te ontmoeten, en toen konden we herinneringen ophalen over die tijd.

Waar komt je belangstelling voor taal vandaan en hoe oud was je toen je wist dat iets met taal wilde gaan doen?

Hoewel de plaatsen waar we woonden tot aan mijn middelbare schooljaren niet zo ver van elkaar lagen, hebben de dialecten van het Ewedomegbe (het Ewe uit het binnenland) die hier gesproken worden — Anfoega, Aveme, Alavanyo, Leklebi en Kpando — allemaal hun eigen karakter. Sprekers kunnen ze onderscheiden. Zo kwam ik in mijn jonge jaren in contact met allerlei soorten Ewe, naast Engels en ook Kerklatijn dat me altijd gefascineerd heeft. En op de middelbare school leerde ik andere Ewe-varianten zoals het Anlo van de kust, waarop het standaard geschreven Ewe is gebaseerd, het Tongu, en bovendien de Gbi-dialecten van Peki en Hohoe. Hier kwam ik ook sprekers van andere talen tegen uit de noordelijke delen van de Volta Region, zoals de Guang-talen (Nkonya) en de Ghana-Togo Mountain talen zoals Likpe, Avatime, Lelemi, Akpafu-Lolobi, Logba, Nyangbo en Tafi. Ik hoorde ook Gã, de taal van Accra, en Twi (ook wel Akan). Op de kostschool leerde ik het Nederlandse woord Godverdomme, en pas jaren later toen ik hier kwam wist ik wat het betekende.

Op de middelbare school kreeg ik voor mijn eindexamen, naast Engelse taal- en letterkunde wat verplicht was, drie andere talen: Ewe, Frans en Latijn. Dit was de reden dat, een paar jaar later, de toelatingscommissie van de University of Ghana mij taalwetenschap toewees als één van de vakken in mijn eerste jaar, zonder dat ik wist waar het over ging. En dat is wat ik ben blijven doen. In die tijd mocht je je vakken niet kiezen, vooral niet vakken die niet op de middelbare school gegeven werden. De toelatingscommissie gaf je gewoon zo’n vak op basis van je profiel.

Kan je iets vertellen over je studietijd? Bijzondere docenten? Onderwerpen die je toen heel erg boeiden?

Het studentenleven in Ghana eind zeventiger jaren werd gekenmerkt door politiek activisme. We demonstreerden tegen de militaire regering en dan sloten ze de universiteit weer. Het waren erg roerige jaren. Het was dan ook geen verrassing dat toen Jerry John Rawlings in 1979 een militaire coup leidde, de studenten zijn eerste bondgenoten waren. Wij steunden zijn revolutionaire ideeën en acties. Ondanks de onderbrekingen en het vertrek van universitaire docenten uit Ghana, vooral naar Nigeria, bofte ik met drie toegewijde docenten, wijlen Mary Esther Dakubu, wijlen Alan Stewart Duthie en Florence Dolphyne. Ze zetten zich echt ervoor in dat wij een goede training in de taalwetenschap kregen.

Alan Duthie, die was opgeleid als functionalist in de Halliday-school, prentte me in dat ik betekenis serieus moest nemen en hij had idiosyncratische manieren om structuren en betekenissen weer te geven. Ik was ook onder de indruk van het feit dat Alan Duthie, hoewel geen moedertaalspreker van het Ewe, toch mij de linguïstische analyse van de taal kon bijbrengen. Ik was heel erg geboeid door semantiek en in die jaren werden de twee delen van John Lyons’ Semantics uitgebracht. Ik was vastbesloten om de concepten van Lyons op het Ewe toe te passen. Voor mijn Bachelorscriptie keek ik naar idiomen in het Ewe. Toentertijd was ik niet tevreden met de manier waarop ik de betekenis van idiomen weergaf.

Anna Wierzbicka
Anna Wierzbicka (bron)

Toen ik daarna naar de Australian National University ging voor mijn vervolgstudies, werd ik onmiddellijk betoverd door de benadering van Anna Wierzbicka’s Natural Semantic Metalanguage, want die gaf me de gelegenheid om de betekenis van Ewe-uitdrukkingen anders weer te geven dan als hun vertaling. Ik werd ook gepakt door de beschrijving en documentatie van de talen van de Australische Aborigines waar Bob Dixon mee bezig was, en door het antropologisch linguïstische perspectief van Bill Foley. Die was ook bezig een syntactische theorie te ontwikkelen voor de structuren van talen die heel anders zijn dan het Standaard Engels. Deze invloeden hebben mijn blik en mijn benadering van talen sterk bepaald. In deze tijd maakt ik ook kennis met het werk van de  eminente Roman Jakobson en zijn motto “ik ben een linguïst, en niets taligs is mij vreemd”. Ik had de zegswijze oorspronkelijk al op de middelbare school gehoord en dit heeft een stempel gedrukt op mijn onderzoek naar talen over de jaren heen.

Kan je wat vertellen over je eerste indrukken toen je in Nederland aankwam? Hoe voelde je je?

Voordat ik naar Nederland migreerde ongeveer dertig jaar geleden, deed ik een soort van tour door Europa op weg van Australië naar Ghana in de zomer van 1987. Mijn eerste stop was in Berlijn waar ik verbleef in wat toen West Berlijn was en elke dag door de muur ging, een week lang, voor het International Congress of Linguists. Aansluitend reisde ik met de bus naar Antwerpen voor de International Pragmatics Conference, en toen naar Leiden voor het Colloquium on African Languages and Linguistics. In Leiden zag ik mensen voor hun huis, op de terrassen en langs de grachten zitten drinken en plezier hebben. Ik dacht bij mezelf: dit moet een leuke plek zijn! Je moet weten dat je in Australië niet op straat mag drinken, dus dit maakte een flinke indruk op me.

Leiden in 1997 (foto PR)

Ik keek er heel erg naar uit om ook zo’n leuk leventje te leiden toen ik een paar jaar later een baan kreeg aangeboden op de universiteit in Leiden. Ik moet zeggen dat toen ik arriveerde de dingen helemaal niet zo leuk bleken als bij mijn eerste indruk. Om te beginnen kwam ik aan tijdens een koude winter, halverwege januari. Dat jaar was er de Elfstedentocht en de grachten en de Witte Singel waren bevroren en je kon erop lopen. Dat was ook mijn eerste echte ervaring met sneeuw, los van een kort bezoek aan Ithaca in New York. Maar om nu te wonen op een plek waar sneeuw op mijn raam valt en mijn uitzicht wegneemt was heel nieuw voor me. In de winter kruipen de Nederlanders in hun schulp, en hierdoor was ik erg eenzaam. Ik had prima collega’s, maar na Australië voelde het erg eenzaam. De voornaamste shock was hoe de universitaire cultuur hier anders was dan wat ik gewend was. Ik wist helemaal niet dat er allerlei linguïstische ‘scholen’ of ‘kampen’ waren en ik zal wel wat blunders begaan hebben!

Niet alleen was de universitaire cultuur anders, er waren ook wat onverwachte hobbels buiten het werk. Eén ervan was dat als je een huis huurt en je gaat weg dat je het weer in de oorspronkelijke staat moet achterlaten. Dat klinkt logisch, maar het was mij niet duidelijk dat dit ook gold voor dingen die je overneemt van de vorige huurder. Dus als de vorige huurders tegels heeft aangebracht zonder toestemming van de verhuurder en ik heb ze overgenomen moet ík ze eruit halen tenzij de volgende huurder ze weer overneemt. (Trouwens, dit leerde je helaas niet in de cursus Nederlandse taal en cultuur). Zo zit het leven hier dus in elkaar. Dat soort ervaringen maken het niet makkelijk je thuis te voelen in dit land, hoe relaxed, ruimdenkend en verwelkomend het ook lijkt.

Wat voor werk doe je op dit moment? Wat is het leukst?

Ik geef colleges, doe onderzoek, en begeleid studenten. Eén van de leuke dingen van het werk is als ik samenwerk met studenten om een taalpuzzel op te lossen, zoals vaststellen of een woord in een taal vooral naar het lichaam of naar de huid verwijst. In mijn eigen onderzoek werk ik aan de semantiek van werkwoorden en werkwoordsconstructies in de Kwa talen. Het geeft bevrediging wanneer je de logica ziet die de manieren waarop je een werkwoord gebruikt met elkaar verbindt. Bijvoorbeeld, een werkwoord waaraan ik op het ogenblik werk in Ewe is klẽ́. Je kan het vertalen als ‘pellen’, ‘openen’, ‘de maiskorrels van de kolf halen’, ‘laten glanzen’, enz. Op het eerste gezicht lijkt het vreemd, maar er is een logica die ze verbindt en die je kan ontdekken als taalkundige.

Een maiskolf wordt geopend (bron)

Als je het helemaal voor het zeggen had, wat zou je dan vooral gaan onderzoeken of opschrijven?

Wat ik heel graag zou doen zijn twee dingen (i) een boek schrijven over de areale semantiek van de Lower Volta Basin, waarbij ik kijk naar gedeelde semantische patronen over talen heen, in hoe woorden samen gebruikt worden en in conceptuele patronen; (ii) de meertalige situaties en ontwikkelingen documenteren van verschillende gemeenschappen aan de westkant van de Middle Belt van Ghana. Ik zou willen begrijpen hoe kinderen in zulke situaties meertalig opgroeien, en de meertaligheid van kinds aan mee krijgen.

Kan je een opmerkelijke bevinding of ontdekking noemen uit je eigen werk?

Ik kan denk ik mijn werk noemen over de manier waarop culturele gebruiken kunnen doorschijnen in de grammatica van een taal. Taalkundigen zijn erg geboeid door het verschijnsel logoforiciteit in de Afrikaanse talen. Dat is een heel speciale grammaticale markering die een onderscheid maakt al naar gelang wie de spreker is. Onafhankelijk daarvan hadden antropologen zich lange tijd verbaasd over het gebruik van triadische communicatie, waarbij mensen communiceren via een derde partij. Zo is het op veel plekken gebruikelijk dat een dorpshoofd niet zelf spreekt en ook niet aangesproken wordt, maar zich laat vertegenwoordigen door een woordvoerder.

Mijn onderzoek heeft laten zien dat dat patroon van triadische communicatie één van de redenen is voor logoforiciteit, en ook bepaalde andere structuren. Zo zie je hoe een belangrijke interactievorm in West-Afrikaanse culturen zijn weerslag kan hebben in de grammaticale structuren van taal.

Wat is logoforiciteit?

“De vrouw zei dat ze gevallen was.” Wie is er gevallen, de spreker of een ander? In het Nederlands is dat onduidelijk zonder meer context. In veel Afrikaanse talen kun je deze onduidelijkheid voorkomen door een speciaal soort voornaamwoord te gebruiken. Bijvoorbeeld in het Aghem, een Bantoid-taal uit Kameroen:

  • Wizín mo dzɛ niá o mo bvu-no
    vrouw VT zeggen dat 3SG VT vallen
    ‘De vrouw zei dat zij (≠ de vrouw) gevallen was’
  • Wizín mo dzɛ niá é mo bvu-no
    vrouw VT zeggen dat LOG VT vallen
    De vrouw zei dat zij (de vrouw) gevallen was

Het verschil zit ‘m in het voornaamwoord. In het eerste voorbeeld is dat o, wat je in de woord-voor-woord vertaling terugvindt als “3SG”, dat is de derde persoon (3) enkelvoud (SG). Hij, zij of het dus om precies te zijn. In het tweede voorbeeld is dat é, wat we terugvinden als “LOG” voor logoforisch. Letterlijk staat die term logo-forisch voor “spreker-verwijzend”: een voornaamwoord dus dat speciaal bestaat om naar de spreker te verwijzen.

Ameka’s onderzoek maakt aannemelijk dat dit soort grammaticale structuren direct verband houden met het bestaan van triadische communicatie, waarbij mensen via woordvoerders communiceren. Stel: de dorpsraad heeft zitting, en als woordvoerder moet je het volgende doorgeven: “Het dorpshoofd zegt dat hij schuldig is.” Logoforiciteit zorgt ervoor dat je het verschil kunt maken tussen het dorpshoofd zelf en degene die schuldig bevonden is. Wel zo handig!

Hoe denk je dat de eventuele samenwerking tussen taalkundigen uit Europa en die in Afrika het beste vorm gegeven kan worden? Zijn er obstakels waar wat aan gedaan moet worden?

Er moet een verandering komen in de basisinstelling van beide groepen en in de manieren waarop taal wordt bestudeerd. Er moeten specifieke methodes en theorieën gebaseerd op de Afrikaanse werkelijkheid ontwikkeld worden in plaats van de al bekende tradities gebaseerd op de Europese taalwerkelijkheid. Een vraag die deze onderzoekers zich moeten stellen —en hier moeten Afrikaanse taalkundigen samen met de Europese Afrikanistische taalkundigen over nadenken— is: Hoe zou de linguïstische theorieën en modellen eruit zien als ze gebaseerd waren op Afrikaanse manieren van omgaan met taal en met elkaar? Mijn droom is dat taalwetenschappers gaan werken aan een authentieke Afrikaanse linguïstische theorie in plaats van theorieën die elders ontwikkeld zijn voetstoots over te nemen.

Verder lezen

De leerstoel Ethnolinguistic Vitality and Diversity waartoe Professor Ameka benoemd is wordt ondersteund door UNESCO-organisatie CIPSH en door het Comité International Permanent des Linguistes (CIPL). Ameka’s werk strekt zich uit van interactieroutines tot taalbeschrijving, en van vergelijkende semantiek tot de sociolinguistiek van meertaligheid. Zie Ameka (2004) voor zijn werk op logoforiciteit en Ameka & Terkourafi (2019) voor een oproep tot een nieuw élan in de taalkunde.

  • Ameka, Felix K. 1992. Interjections: The Universal Yet Neglected Part of Speech. Journal of Pragmatics 18(2–3). 101–118.
  • Ameka, Felix K. 2004. Grammar and cultural practices: The grammaticalization of triadic communication in West-African languages. Journal of West African Languages 30(2). 5–27.
  • Ameka, Felix K. & Dench, Alan & Evans, Nicholas (eds.). 2006. Catching Language: the standing challenge of grammar writing. Berlin: Mouton de Gruyter.
  • Ameka, Felix K. & Terkourafi, Marina. 2019. What if…? Imagining non-Western perspectives on pragmatic theory and practice. Journal of Pragmatics (doi:10.1016/j.pragma.2019.04.001).