Het Lied van Lawino

Het Lied van Lawino

Verhalen en liederen zijn onderdeel van elke taal en cultuur, en ze kunnen helpen om een identiteit te creëren. Dat was in diverse Afrikaanse landen met name relevant in de periode van prille onafhankelijkheid in de jaren ’60. De Afrikaanse onafhankelijkheid speelt een belangrijke rol in de literatuur van die tijd, waarin Afrikaanse schrijvers laten zien dat Afrikaanse landen autonoom konden zijn van Europa (Usongo 2011: 1790). Een mooi voorbeeld van de verwevenheid van literatuur en nieuwe autonomie is poëtische ‘Lied van Lawino’, en het vervolg hierop, het ‘Lied van Ocol’, geschreven en uitgegeven in 1966 door Okot p’Bitek in Oeganda (onafhankelijk op 9 oktober 1962). Hij schreef het eerste lied in het Acoli Luo, een Nilotische taal uit het noorden van Oeganda, en het tweede in het Engels.

Het lied van Lawino beschrijft de klachten die Lawino heeft over haar man, Ocol, de zoon van één van de Rwodi (chiefs) van Acholiland. Ocol heeft een relatie met een andere vrouw, Clementine. De klachten van Lawino gaan niet over deze vrouw, ze zegt:

‘Wanneer ik een andere vrouw heb
met wie ik mijn man deel
ben ik blij.’

(Vers 289 – 291)

Haar klachten liggen juist bij de veranderingen die Ocol maakt om te passen bij het ‘moderne leven’, het leven dat was gebracht door de Britten tijdens de kolonisatie.

‘Hij zegt dat ik slechts een dorpse vrouw ben.
Ik ben ouderwets
en niet langer begeerlijk.’

(Vers 101 – 103)

In het Lied van Lawino wordt duidelijk dat de persoonlijkheden van Ocol en Lawino direct tegenover elkaar staan. Lawino is een representatie van de Acholi tradities, zoals de dansen die Lawino doet voor Jok (geest), of liederen die ze zingt (Usongo 2011: 185).

‘De vrouw die flaneert
en danst met trots
– dat is de moeder van velen
– dat is de gelukkige.’

(Vers 1844 – 1847).

Hiertegenover staat de persoonlijkheid van Ocol, een persoon die het idee van superioriteit van de Britse kolonisatoren vertegenwoordigt. Ocol ziet de Acholi als een ouderwets denkend volk, een volk dat niet meegaat met de tijd. Ocol luistert alleen nog maar naar wat de witte man zegt. Ocol ziet zich als superieur ten opzichte van de Acholi, waardoor hij deze identiteit zo veel mogelijk van zichzelf wil afzetten (Larbaoui 2019).

‘Ocol zegt dat hij een moderne man is,
een progressieve en beschaafde man.
Hij zegt dat hij breedbelezen is
en niet meer leven kan met zoiets als ik
die niet kan onderscheiden tussen goed en kwaad.’

(Vers 96 – 100)

Het lied van Lawino is een voorbeeld van de gedekoloniseerde Afrikaanse literatuur die in deze periode werd geschreven. Dit is duidelijk door het contrast tussen Ocol en Lawino, waar Lawino staat voor het zelfstandige Afrika dat zonder een koloniaal bewind (Ocol), dat voor zichzelf kan zorgen en geen hulp nodig heeft. Ook staat Lawino voor een onafhankelijke vrouw die trots is op haar eigen cultuur terwijl haar man Ocol de moderne ontwikkeling omarmt en daarvoor zijn achtergrond moet verlaten en verloochenen.

Bronnen

Usongo, K., 2011. Cultural Identity and Literature: A Study of Okot p’Bitek’s Song of Lawino. Matatu 39(1), 179-190. https://doi-org.ezproxy.leidenuniv.nl:2443/10.1163/9789401200745_011

Larbaoui, M., 2019. Exploring the Theme of Cultural Identity in the Poem “Song of Lawino”: The Use of Halliday’s Transitivity in Revealing Ideologies. Advances in language and literary studies 10(6), 20-24.
http://dx.doi.org/10.7575/aiac.alls.v.10n.6p.20