Wie zijn de Kalenjin en waarom heten ze allemaal ‘Kip’?

Het is weer marathontijd, en dan gaat het vaak over Afrikaanse renners — of om precies te zijn renners uit Kenia en Ethiopië. De NOS wijdde een kort stukje aan het feit dat de namen van Keniase winnaars vaak beginnen met Kip. Volgens NOS heeft dat iets te maken met de “Kalenjin-stam”. Bij Stemmen van Afrika willen we natuurlijk het naadje van de kous weten.

Stam?

Eerst even dit. In de antropologie —de studie van culturen wereldwijd— wordt het woord ‘stam’ doorgaans gebruikt voor kleine groepen die een egalitaire structuur hebben en niet meer dan een paar duizend zielen tellen. De Kalenjin in Kenia zijn met 4 miljoen ruim tien keer zo talrijk als de Friezen in noord-Europa, en ze zijn politiek goed georganiseerd. Als de Kalenjin een stam zijn, zullen we dan ook de Friezen weer een stam gaan noemen?

De Kalenjin hebben een rijke geschiedenis als onderdeel van het kleurrijke mozaïek van volkeren in Oost-Afrika. Er zijn hele boeken geschreven over de geschiedenis van de zuidelijke Nilotische volkeren, hun politieke systemen, hun vertelkunst, en hun talen. De Kalenjin zijn bovendien bekend als succesvol voorbeeld van politieke eenwording. Voor 1950 was er helemaal geen Kalenjinvolk. Een handvol verwante Nilotische volkeren sloeg de handen ineen om beter politieke invloed uit te kunnen oefenen. Ze verenigden zich onder de noemer ‘Kalenjin’, wat in sommige van hun talen iets betekent als “ik zeg je”.

De Kalenjintalen zijn onderling ongeveer zo verschillend als bijvoorbeeld het Deens, het Duits en het Nederlands. Net als deze west-Germaanse volken delen ze een geschiedenis, wat je kunt zien aan bepaalde overeenkomsten in taal en cultuur. De Kalenjintalen vormen een onderdeel van de zuid-Nilotische tak van de Nilo-Saharaanse taalfamilie. Vandaag de dag zijn er in Kenia ongeveer 4 miljoen mensen die zich Kalenjin noemen. Veel daarvan leven net zoals jij en ik van een eenvoudige baan. Sommigen schoppen het tot president. En weer anderen kunnen goed hardlopen.

Kip: een veelzijdig stukje taal

Lornah Kiplagat is een Nederlandse van Keniase origine die meerdere wereldtitels op haar naam heeft staan. Edna Kiplagat is een Keniase die onder andere de marathon van New York en Los Angeles en Daegu won. Wilson Kipsang  is momenteel de mannelijke wereldrecordhouder op de marathon. Eliud Kipchoge won vier keer de 4 mijl van Groningen. Hoe zit het nou met dat ‘kip‘ waarmee hun namen beginnen?

In veel Kalenjin-talen kun je een voorvoegsel aan woorden toevoegen dat het geslacht duidelijk maakt. De mannelijke versie is kip, de vrouwelijke jep. Die voorvoegsels komen ook veel voor in persoonsnamen. Persoonsnamen beschrijven de omstandigheden waaronder iemand ter wereld gekomen is. Dat hoeft niet de persoon zelf te zijn; net als familienamen in Nederland worden de namen worden vaak overgeërfd. Zo vind je hier een mooie lijst van Kalenjin-namen, waarop we ook de volgende namen van marathonrenners tegenkomen:

  • Kiplagat ‘geboren bij zonsopgang’
  • Kipkoech ‘geboren in de vroege morgen’
  • Kiprono ‘geboren terwijl het vee ’s avonds thuisgebracht werd’
  • Kipsang ‘buiten geboren’
  • Kiprotich ‘geboren terwijl het vee binnengebracht werd voor het melken’
  • Kipkeino ‘geboren terwijl schapen of geiten gemolken werden (dus toen er gebrek was aan koeienmelk)’

Kip is dus een voorvoegsel. Zoals je in het Nederlands moet leren dat sommige woorden met “het” gaan en andere met “de”, zo zijn er in de Kalenjintalen frases die met “kip” gaan en andere met “jep”. Het mannelijke kip komt meer voor omdat familienamen vaak overgeerfd worden langs de mannelijke lijn. Maar ook het vrouwelijke Jep komen we wel eens tegen — bijvoorbeeld in de naam van Rita Jeptoo, ook dit jaar weer winnares van de Boston Marathon; Priscah Jeptoo, die zilver won op de Olympische spelen in 2012; en in de eerste naam van Lornah Kiplagat, Jebiwott, wat volgens Wikipedia iets betekent als ‘geboren bij overvloedige regenval’.

Van kip en jep kunnen we nog iets leren: een truukje om Nilotische talen te onderscheiden van Bantoetalen. De meeste van de 67 talen van Kenia behoren tot één van deze twee taalfamilies. In Nilotische talen, zoals de Kalenjintalen maar ook bijvoorbeeld het Maasai, komen veel gesloten lettergrepen voor, zoals KIP, SANG, JUK, GAT, enzovoort. Bantoetalen zoals het Swahili en het Kikuyu (spreek uit Gikoejoe met een Franse g) hebben een voorkeur voor open lettergrepen zoals BA, KI, GOE, LE, enzovoort. Kip geeft dus weg dat de naam meer Nilotisch dan Bantoe is.

Op deze manier kun je trouwens niet alleen talen uit elkaar houden maar ook namen en plaatsen. Bevind je je in Eldoret, Tot, of Marigat, dan is de kans groot dat je in het Nilotengebied bent.  Overigens worden in Kenia ook nog talen gesproken van de Koeshitische familie: in het noordoosten vinden we het Borana en Rendille, en ook flink wat Somali-sprekers.

Peijnenburgbehandeling

Het is makkelijk om te denken dat Afrika een continent is dat bevolkt wordt door ‘stammen’ zonder geschiedenis en met als enige vermeldenswaardigheid dat ze veel marathonrenners voortbrengen. Dat kunnen we de Peijnenburgbehandeling noemen, naar de campagne van koekfabrikant Peijnenburg, die veel Nederlanders een vrolijk maar eenzijdig beeld gaf van de Maasai, een ander volk uit Oost-Afrika.

Koekhappen is leuk natuurlijk, maar hier op Stemmen van Afrika proberen we stevigere kost te leveren om zo een beter beeld te scheppen van de talenrijkdom van Afrika. Zo weet je nu niet alleen dat de Kalenjin geen stam zijn, maar ook dat kip in de Kalenjin-talen oorspronkelijk een mannelijk voorvoegsel is, dat jep de vrouwelijke variant daarvan is, en dat gesloten lettergrepen horen bij de taalsmaak van Nilotische talen. Eet smakelijk!

(P.S. We hebben gehoord dat de Friezenstam uit Europa uitzonderlijk goede schaatsers voortbrengt. Wat is hun geheim? Zou het hun woonplaats zijn? Hun dieet? Hun genen? Een combinatie? Daar moet ons denkbeeldige broertje StemmenvanEuropa.nl maar eens naar kijken.)

Gebruikte bronnen

  • Omosule, Monone (1989) ‘Kalenjin: the emergence of a corporate name for the ‘Nandi-speaking tribes’ of East Africa’, Genève-Afrique, 27, 1, pp. 73–88.
  • Sutton, J.E.G. (1978) ‘The Kalenjin’, in Ogot, B.A. (ed.) Kenya before 1900, pp. 21–52.
  • Toweett, Taaitta. 1975. Kalenjin nouns and their classification. MA Thesis, University of Nairobi.