Hoe sprak de gewone piramidebouwer eigenlijk?

Hoe sprak de gewone piramidebouwer eigenlijk?

“We leren onze talen niet uit boeken maar uit de monden van mensen,” zei Thilo Schadeberg, ondertussen emeritus-hoogleraar Afrikaanse taalkunde, in een college over het Heibaan (een Kordofaanse taal gesproken in Soedan). Jonge kinderen leren hun taal niet uit boeken natuurlijk, maar ook taalkundigen die op veldwerk gaan leren over nieuwe talen door te luisteren naar de moedertaalsprekers.

Deze uitspraak is me bijgebleven omdat ik dat als historisch taalkundige nooit zal kunnen ervaren. Zelf ben ik specialist in het Oudegyptisch, een taal die tegenwoordig niet meer gesproken wordt. Het is voor mij dus onmogelijk om persoonlijk contact met de sprekers te hebben, of hun gemeenschap en cultuur te observeren! Natuurlijk heeft de Egyptologie, de studie van talen en culturen van het Oude Egypte, een rijke onderzoekstraditie. Daardoor weten we dan ook veel (maar nog lang niet genoeg) van de ontwikkeling van het Egyptisch gedurende meer dan vierduizend jaar van taalgeschiedenis. Maar echte sprekers kunnen we helaas niet raadplegen. Ondanks de beperkingen van een uitgestorven cultuurtaal zonder sprekers, hebben we nu tóch indirect toegang tot de “vox populi” (stem van het volk). Hoe doen we dat?

Er is een verzameling van korte uitwisselingen tussen werklieden en landarbeiders, die ons een kijkje gunnen in het alledaagse taalgebruik van de gewone man en vrouw (want vrouwen waren net zo goed als mannen betrokken bij werk op het veld of elders). Het gaat hier om wat wij vandaag zouden noemen “de taal van de werkvloer”. Dat het heel alledaagse gesproken taal was, wordt benadrukt door Adolf Erman, de grondlegger van de Egyptische taalkunde: hij noemde het Reden und Rufe oftewel ‘uitspraken en kreten’. De Reden und Rufe staan als bijschriften op de scènes van het dagelijks leven, die we vinden in de elitegraven aan het eind van zogeheten Oude Rijk (van de 18e tot de 16e eeuw v.Chr.). Het is vrij zeker dat deze scènes een te rooskleurig beeld geven van het dagelijks leven, maar dit wil niet zeggen dat er geen poging is gedaan om de taal van Jan en alleman weer te geven.

Laten we naar een concreet voorbeeld kijken. In de onderstaande afbeelding zien we een scène waarin de bouw van een papyrusboot wordt afgebeeld. Daarbij staat een uitspraak van een vader die zijn zoon gebiedt om zo snel mogelijk touw te bezorgen. Zo’n gebiedende wijs is typisch iets voor informele spraak – dat kom je in grote religieuze teksten niet zo veel tegen. Daarom zijn deze Reden und Rufe zo belangrijk voor inzichten in alledaags taalgebruik.

https://maritimehistorypodcast.com/ep-007-old-kingdom-egypt-expands-reach/
Bouw van een papyrusboot (Mastaba of Ptahhotep)
(afbeelding via The Maritime Podcast)
j Sbk-q?jjn       n=nšs-w
heeSobek-qaybrengvoor=onstouw-en
“Hey Sobek-qay, breng touw naar ons toe!”

De taal van de werkvloer komen we dus tegen op graven, maar dat was geen drempel voor grof taalgebruik. De scènes van sportieve evenementen geven daar een goed voorbeeld van. Bij de Oude Egyptenaren was het schaduwgevecht populair, een ruwe sport van stotende vissers op smalle papyrusbootjes. Dit is een vast onderdeel van de afbeeldingen op elitegraven.

https://www.kemet.nl/sport-in-het-oude-egypte-stokgevechten/
Sportieve schermutseling in papyrusbootje (Mastaba van Niankhknum en Khumhotep)
(afbeelding via Kemet)

De korte dialogen van de vechters waren net zo brutaal als de sport zelf. In de volgende scène uit het graf van Tij probeert een stokvechter zijn tegenstander met seksueel getinte belediging uit de concentratie te halen en in het nauw te drijven.

Mj r=kr=jnkpw
komvoor=jijnaar=mij???bent
“Kom op, jij, naar mij toe, nk (die je bent)!”

Het woord nk is waarschijnlijk afgeleid van een werkwoord nk, waar we de betekenis helaas niet van kennen. Er bestaat wel de verdubbelingsvorm nkjkj ‘zwanger maken, zwanger raken’, maar het is onwaarschijnlijk dat een stokvechter zijn tegenstander voor zwangere vrouw uitmaakt. Uit het Koptisch, de laatste fase van de Egyptische taal (3e tot 13de eeuw n.Chr.) kennen we wel de verwante vorm noeik, die zoiets as ‘overspelige echtgenoot’ of ‘hoerenloper’ betekent. Dit komt dichter in de beurt van een scheldwoord, maar tussen het Oudegyptische naamwoord nk en zijn Koptische tegenhanger noeik liggen wel meer dan tweeduizend jaar van taalgeschiedenis, waarin zeker ook vieze woorden van betekenis zijn veranderd. En zo blijven we nog even worstelen met dit woordprobleem.

Desondanks laten deze voorbeelden ons zien hoe de alledaagse taal van de Oud-Egyptenaren moet zijn geweest. Daarmee krijgen we een rijker perspectief op de mensen en de cultuur. Vaak zien we de Oudegyptische cultuur als een onveranderlijk gegeven, terwijl deze beschaving voortkwam uit een dynamische en vrij complexe samenleving. En in zo’n samenleving spraken mensen natuurlijk ook op verschillende manieren, dat wil zeggen dat het Oudegyptisch verschillende talige “registers” had. Als je alleen naar de officiële documenten kijkt, weet je vooral wat de farao’s te zeggen hadden, maar door de Reden und Rufe “horen” we voor het eerst in de geschiedenis ook de stem van het volk.