De stinkende smid: geuren bij de Kapsiki en Higi

De stinkende smid: geuren bij de Kapsiki en Higi

In de westerse wereld is men gewend om te praten van de vijf zintuigen —zien, horen, ruiken, proeven en voelen en daarbij het zien als belangrijkste zintuig te beschouwen. Maar ook al zijn de fysieke ervaringen waarschijnlijk hetzelfde in verschillende culturen, dit hoeft niet te gelden voor de waarde die aan de zintuigen toegekend wordt. Over de hele wereld zijn er uiteenlopende ideeën over de rol van de zintuigen en waarneming.

De Kapsiki uit Noord-Kameroen en de Higi uit Nigeria vormen één etnische groep, ook al dragen ze verschillende namen en leven ze in verschillende gebieden. In deze groep zijn sociale relaties nauw verbonden met geuren. Antropologen zoals Wouter van Beek (die veel veldwerk onder de Kapsiki gedaan heeft) zeggen ook wel dat ze een ‘olfactorische cultuur’ hebben. Geuren, in het geval van de Kapsiki voornamelijk gekoppeld aan voedsel, bepalen een groot deel van de sociale structuren en dit is terug te zien in de taal.

Een belangrijk onderscheid dat de aard van de olfactorische cultuur van de Kapsiki goed illustreert is de verdeling in rerhè (smeden) en melu (niet-smeden). De smeden vormen een minderheid van 5 procent van de bevolking, maar vervullen desalniettemin een erg belangrijke rol. Naast de functies die wij aan een smid zouden toekennen —zoals het smeden van metaal en brons— hebben zij namelijk ook een soort tussenpositie tussen deze wereld en het hiernamaals. Smeden houden zich bezig met magie en medicijnen, maar zijn ook de aangewezenen om begrafenissen te leiden.

Deze ambivalente status is goed terug te zien in het taalgebruik. De melu vinden namelijk dat de rerhè stinken! Dit heeft te maken met de eerder genoemde tussenpositie van de smeden en het belang van geur om sociale structuren weer te geven. Eenzelfde tussenpositie geldt ook voor de overleden personen van wie de rerhè begrafenissen leiden en met wie zij dus veel bezig zijn. In tegenstelling tot veel andere Afrikaanse groepen geldt het voor de Kapsiki en Higi niet dat nabestaanden de overleden persoon als voorouder gaan beschouwen. De overledene verandert met het overlijden van ‘persoon’ naar een ‘niet-persoon’ en heeft daarmee ook een ambivalente status.

Er is echter geen sprake van discriminatie. Ondanks dat de twee groepen niet met elkaar trouwen en ondanks dat de rerhè voedsel eten wat door de melu als taboe wordt beschouwd, wordt de één niet per sé als minder dan de ander beschouwd. De rerhè worden beschouwd als stinkend en een aparte klasse, maar zijn nog altijd wel deel van de etnische groep en worden ook, ondanks hun contact met de andere wereld, niet als slecht gezien.

Hoe zien we dit alles terug in taal?

De taal van de Kapsiki en Higi kent veertien basiswoorden voor voor verschillende geuren. Die hoeveelheid duidt het belang van geur in deze groep al wel aan! Deze woorden beschrijven voornamelijk geuren die anders zijn, ‘vies’. Dat fenomeen is vaker terug te vinden in taal. Denk maar eens aan de talen die jij kent en de algemene woorden die je voor geur kent — het zijn er waarschijnlijk meer voor negatieve dan voor positieve geuren. De vraag is wel op hoeveel woorden je komt… waarschijnlijk geen veertien! Een overzicht van de algemene termen voor geur van de Kapsiki en Higi:

1 mèdèke: de geur van verscheidene dieren
2 vèrevère: de geur van de civetkat
3 rhwazhake: de geur van urine
4 ‘urduk’duk: de geur van melk
5 shireshire: de geur van uitwerpselen van verscheidene dieren
6 ndrimin’ye: de geur van bedorven voedsel
7 ndalèke: de geur van rottend vlees of een lijk
8 duf’duf: de geur van bier van witte gierst (mpedli)
9 hes’hese: de geur van geroosterd voedsel
10 zede: de geur van eetbaar voedsel
11 kalawuvè: de geur van uitwerpselen van mensen
12 kamerhweme: de geur van oud graan in een schuur
13 rhweredlake: de geur van vers vlees
14 dzafe: een vluchtige geur van welke soort dan ook, die slechts kort opgemerkt wordt

Uit deze termen valt al een hoop op te maken over de cultuur waar we het nu over hebben. Het belang van voedsel en dieren, bijvoorbeeld. Maar wat nog het meest zegt is wie wat onder deze termen classificeert. Wat zegt een melu in tegenstelling tot een rerhè over een bepaalde categorie? Vinden zij beiden dezelfde geuren in een groep horen? Vinden zij hetzelfde stinken?

Het antwoord daarop is nee, en dit valt het beste duidelijk te maken aan de hand van geur nummer 7 uit de lijst: ndalèke, de geur van rottend vlees of een lijk. Een melu koppelt deze soort geur inderdaad aan een lijk, maar voor de rerhè is hier geen sprake van. De geur die voor de melu het meest afschuwelijk denkbare is, is voor de rerhè een geur van hondenvlees. Hij noemt de geur van een lijk niet eens in één van de veertien categorieën, wat aanduidt dat de geur niet per sé als belangrijk en vies wordt beschouwd.
Ook categorie 5, shireshire, de geur van uitwerpselen van verscheidene dieren, zegt veel. Voor de melu bevat deze categorie de uitwerpselen van dieren die zij niet eten door een taboe, maar die wel door de rerhè gegeten worden. Voor de rerhè bevat deze categorie alleen de geuren van paardenvlees en honden. Waardetoekenning is dus erg belangrijk in het toekennen van geuren aan bepaalde categorieën: wat voor de één naar kan zijn, kan door de ander niet eens opgemerkt worden.

Opvallend is dat deze verschillen vooral te vinden zijn onder de mannen. Vrouwelijke melu en rerhè krijgen in dit geval juist een soort tussenpositie en verschillen niet zo erg van elkaar. Zij vullen zogezegd de ruimte op tussen de definities die de mannen aan de geurcategorieën geven.

De antropoloog Wouter van Beek trekt een aantal belangrijke conclusies uit dit onderzoek. Ten eerste worden smeden als stinkend beschouwd vanwege hun positie als intermediair. Dit heeft te maken met hun eetgewoonten en functie binnen de samenleving, niet met hun lichaamsgeur of slechte karakter. Daarnaast concludeert hij dat de definities van geuren verschillen tussen de twee groepen en dat de verschillen de definities van eetbaarheid volgen. Wat voor een smid eetbaar is, stinkt voor hem niet, maar stinkt voor een niet-smid misschien wel. Eetbaarheid is in dit geval een culturele constructie en heeft niks te maken met schadelijk zijn voor de gezondheid. Het laatste punt wat hij maakt is dat de verschillen genuanceerd worden door de houding van de vrouwen.

Zo zie je maar wat de waarde die je aan bepaalde zingtuigen hecht voor invloed kan hebben op sociale verhoudingen!

Literatuur

  • W. E. A. van Beek, “The Dirty Smith: Smell as a Social Frontier among the Kapsiki/Higi of North Cameroon and North-Eastern Nigeria” in: Journal of the International African Institute (1992), vol. 62, no. 1, p. 38-58.