By: neiljs
By: neiljs

“Van wie is die koe?” Kleuren bij de Maasai

De Maasai van Kenia en Tanzania hebben een eigen taal die het Maa genoemd wordt. Deze taal kent ongeveer dertig woorden voor kleuren en ongeveer twintig voor kleuren met een patroon. In deze woorden schuilt een hoop kennis over cultuur.

Zo zijn vijf van die woorden voor kleur statief werkwoorden, oftewel werkwoorden die een toestand beschrijven. Naast ‘wit zijn’, ‘zwart zijn’ en ‘groen zijn’ zijn binnen deze categorie twee termen geweid aan de kleur rood. Er wordt namelijk een verschil gemaakt tussen ‘rood zijn’ en ‘rood als bloed zijn’. De laatste kleur is echter niet alleen gebruikt om bloed te omschrijven, maar wordt bijvoorbeeld ook gebruikt om de kleur van fruit, bepaalde bloemen, stof, de kleur van een persoon versierd met oker, de kleur van een Europeaan wanneer hij of zij boos of beschaamd is of de kleur van thee te omschrijven. De andere term kan voor grofweg dezelfde referenten gebruikt worden, maar ze worden toch als twee verschillende termen omschreven en beschouwd door de Maa sprekers. Dit toont aan hoe belangrijk de kleur rood binnen de cultuur is.

Wat opvalt wanneer we kijken naar de adjectieven die het Maa voor kleur kent die niet semantisch afstammen van een object, is dat deze voor een groot deel natuurlijke kleuren omschrijven. Daarvan is een groot deel bruikbaar om vee te beschrijven. Dit verwijst naar de zogenaamde pastorale aard van de cultuur, waarbinnen het vee erg belangrijk is. Zo zijn zes van de twaalf door Payne (2003) genoemde kleuren een variatie van ‘bruin’ en zijn er vier bruikbaar voor een grijstint. Alhoewel deze kleuren vaak worden gebruikt om vee te beschrijven, is dat niet hun enige doel. Ze zijn er ook om mensen en andere zaken te omschrijven. Dit is echter wel afhankelijk van de term, want er zijn bijvoorbeeld woorden die niet voor mannen maar wel voor vrouwen gebruikt worden.

Ook bij de adjectieven die wel semantisch afstammen van een object zien we vooral natuurlijke kleuren. Dit kan verklaart worden doordat veel van deze woorden ook afstammen van woorden die dingen in de natuur omschrijven. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld het woord voor ‘wit als een wolk’ wat afstamt van ‘regenwater’ en het woord voor ‘goudbruin’ wat afstamt van het woord voor ‘acacia boom’.

Naast de woorden die slechts een kleur omschrijven kent het Maa ook ongeveer twintig termen voor een combinatie van kleur en patroon. Ook hiervoor geldt weer dat de meeste woorden gebruikt worden om dieren te beschrijven (in dit geval hun vacht), maar dat ze ook toegepast kunnen worden om andere dingen te omschrijven. Zoals wel valt te verwachten verschilt de precieze betekenis van deze termen per taalgebruiker.
En hoe zouden dit soort worden vertaald kunnen worden? Nou, bijvoorbeeld als ‘zwart gestipt met wit aan de onderkant’ of ‘bruin en taupe gestreept’.
Ook van deze woorden geldt dat ze kunnen worden opgedeeld in semantisch afstammende adjectieven en niet semantisch afstammende adjectieven. De woorden die wel afstammen, stammen vaak af van woorden die verwijzen naar dieren (zoals luipaarden of cheeta’s), mensen of andere dingen uit de natuur (zoals vijgenbomen). In deze categorie zijn overigens ook statief werkwoorden te vinden.

De reden voor de grote verscheidenheid aan termen voor grijs, bruin en taupe is duidelijk: in pastorale gemeenschappen is het belangrijk om het eigen vee te kunnen onderscheiden, dier voor dier. Daarnaast hebben de Maasai een soort verbod op tellen om er zeker van te zijn dat alle dieren aanwezig zijn. Het is zoals het beschouwen van het kunnen identificeren van je kinderen: van hen ken je ook de kenmerken op basis waarvan je ze uit elkaar kunt houden, en dus ken je deze van je vee ook. Je kinderen tel je ook niet om er zeker van te zijn dat ze er allemaal zijn, dit stel je vast op basis van hun persoonlijke identiteit, en dit doe je voor je vee dus ook. De belangrijkste kenmerken op basis waarvan vee wordt herkend zijn de kleur en het kleurpatroon van het dier. Er is dus een culturele behoefte aan verscheidene termen in het gebied van de grijze en bruine kleuren.

Naast deze koppeling tussen kleuren en vee zien we ook een koppeling met menselijke kenmerken. Zo is er een woord wat de grijze kleur van een droge struik omschrijft, zoals deze eruit zou zien tijdens het droogteseizoen. Wanneer er eenmaal droogte is kan men nergens meer op vertrouwen. Daarom wordt deze kleur dan ook toegewezen aan een persoon die beschreven wordt als onbetrouwbaar.
Termen voor zwart worden ook vooral toegewezen aan negatieve emoties of stemmingen. Zo wordt dit toegewezen aan verdrietig, slecht, vergeetachtig, stom, onbetrouwbaar en/of arm zijn, maar ook aan een persoon die geen vee bezit! Hier zien we het belang van vee, en daarmee de aard van de cultuur, weer terugkomen in taal.

Het ontstaan van kleurtermen zoals deze is niet uniek voor het Maa. Het is ook terug te vinden in andere talen van herdersvolken in Afrika.

Literatuur

  • Doris L. Payne, “Maa Color Terms and Their Use as Human Descriptors” in: Anthropological Linguistics (2003), vol. 45, no. 2, p. 169-200.