Foto via matryoshkababy.com
Foto via matryoshkababy.com

Matroesjkawoorden

Weet je nog dat je bij Frans van alle naamwoorden moest leren of ze mannelijk of vrouwelijk zijn? Het is ‘le couteau’ (het mes) maar ‘la maison’ (het huis), en niet andersom. Het Duits voegt er nog een categorie aan toe: ‘der Mann’, ‘die Frau’, en ‘das Kind’. Maar Bantoetalen maken het helemaal bont: daar heb je soms wel twintig verschillende naamwoordklassen! Die worden niet meer als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ aangeduid, maar simpelweg met een cijfer. Kijk maar in het Lugwere (gesproken in Oeganda):

klas        voorbeeld                      vertaling

1            omu-kali                         ‘vrouw

2            aba-kali                           ‘vrouwen’

5            eri-iso                             ‘oog’

6            ama-iso                           ‘ogen’

7            eci-solo                           ‘dier’

8            ebi-solo                          ‘dieren’

etc.

Je ziet dat hier meervouden een aparte klasse hebben, en dat de klasse wordt aangegeven met een voorvoegsel, zoals omu‑ of eci‑. Elk naamwoord zit standaard in een bepaalde naamwoordklasse, maar je kan ook spelen met de naamwoordklassen om nieuwe woorden te bouwen. Als je in het Shona (Zimbabwe) bijvoorbeeld aan wilt geven dat iets heel klein is, dan gebruik je klasse 12 bóvenop het eigen voorvoegsel, en als het juist groot is, klasse 21. Je kan er zelfs namen mee maken, zoals bijvoorbeeld voor het naamwoord ‑komana voor ‘jongen’, dat standaard in klasse 1 is:

klas        voorbeeld                      vertaling

1            mu-komana                    ‘jongen’

12-1      ka-mu-komana              ‘kleine jongen’

21-1      zi-mu-komana                ‘grote jongen’

2-1         va-mu-komana              ‘meneer Jongen’

Het werkt een beetje als een matroesjkapop, waar het ene poppetje telkens in een ander poppetje past. Of in het geval van Bantoetalen: de ene naamwoordklasse kan in de andere gezet worden. Een voorbeeld van een matroesjkawoord: in Zimbabwe heb je een soort boom die de sumaboom genoemd wordt. In het Shona noem je die mu-suma (3-suma, spreek uit ‘moesoema’). Als je wilt aangeven dat het hele grote sumaboom is, dan zet je het geheel in klasse 21 door het toevoegen van een voorvoegsel: zi-mu-suma (21-3-suma) ‘grote sumaboom’. En als je daar dan een eigennaam van maakt, zet je dat in zijn geheel in klasse 2: va-zi-mu-suma (2-21-3-suma), wat zoveel betekent als ‘meneer Grote Sumaboom’.

Het is echter niet eindeloos, zoals in het Nederlands, waar je naamwoorden kan rijgen zoals ventiel-dopjes-fabrikanten-vereniging. Dat komt omdat er in Nederlandse samenstellingen telkens hele naamwoorden met elkaar worden gecombineerd, maar in de Bantoe naamwoordklassen gaat het bijzonder om grammaticale voorvoegsels, die elk het naamwoord weer een nieuw poppetje van betekenis geven. De grammatica is over het algemeen beperkter: in veel talen zie je wél een grammaticale manier om iets klein te maken (bijvoorbeeld ‘‑tje’ in het Nederlands), maar nooit om bijvoorbeeld een kleur aan te geven. Ondanks die beperkingen is het uitpakken van zo’n matroesjkawoord toch telkens weer verrassend!


Gedeeltelijk gebaseerd op Déchaine, Rose-Marie, Raphaël Girard, Calisto Mudzingwa, and Martina Wiltschko. 2014. The internal syntax of Shona class prefixes. Language Sciences 43. 18-46.