Bron: Gerald McDermott, Anansi the Spider
Bron: Gerald McDermott, Anansi the Spider

Anansi en de grote oversteek

De sluwe, listige maar meedogenloze spin Anansi is de held van de Caraïben. Geen tegenstander zo sterk, geen vijand zo gevaarlijk of Anansi is hem te slim af. Anansi stamt uit de religie van de Asante uit Ghana en is met de slavernij mee naar de Caraïben verhuisd. Daar is hij het symbool van het stille verzet tegen de slavenhouders geworden: Anansi, de nietige spin, verslaat zijn sterkere vijanden niet door spierkracht maar door woorden en slimheid.

 

De oorsprong van Anansi

Anansi is de spinnenheld van de Asante in Ghana. Aan het einde van de 17e eeuw is er een groot en machtig Asante-koninkrijk ontstaan dat tot het einde van de 19e eeuw standhield. Toen is het door de Engelsen verslagen, ingelijfd in hun toenmalige Goudkust (Gold Coast) kolonie, waaruit in 1957 het huidige Ghana ontstaan is. De Asante, de talrijkste van de bevolkingsgroepen van Ghana, hebben nog steeds een koning (sinds 1999 Koning Osei Tutu II). Hun taal, het Asante, is de meest gesproken variant van het Akan of Twi.

De uitspraak van het woord ‘Twi’

In hun traditionele religie aanbaden de Asante de almachtige oppergod Nyame die in de lucht woonde. Hij had een vrouwelijke tegenhanger, Asase Yaa, die de aarde vertegenwoordigde. Uit deze religie stamt ook Anansi, hoewel er volgens onderzoekster Emily Marshall geen bewijs is dat hij ook als een echte godheid geëerd werd: er zijn bijvoorbeeld geen tempels voor hem opgericht en er is ook geen bewijs dat mensen gebeden tot hem richtten. De Asante noemen Anansi voluit Kwaku Ananse. Kwaku is een gewone voornaam voor jongens die op woensdag geboren zijn. Ananse betekent spin.

De uitspraak van  de naam ‘Kwaku’

Een recente Ghanese film vertelt het verhaal van Kwaku/Kweku Ananse. Eerst waren alle verhalen van Nyame, die ze in een kistje bewaarde. In de film trailer zie je hoe Anansi naar Nyame gaat met het verzoek de verhalen mee terug naar de aarde te nemen:

Door zijn listigheid, slaagt Anansi hierin. Sindsdien dragen alle verhalen Anansi’s naam: in het Akan letterlijk, want in die taal heten verhalen anansesɛn (spreek uit: anansesèn). (TIP: Zoek op Youtube naar “Waarom alle verhalen met Anansi’s naam beginnen” om te horen hoe het hele verhaal gaat)

 

Anansi in de Caraïben

Door de slavenhandel in de 17e, 18e en 19e eeuw zijn veel Afrikanen naar de Caraïben gebracht. De Anansiverhalen zijn meegereisd en hebben zich over bijna de hele Caraïben verspreid. Op Aruba, Curaçao en Bonaire vinden we ze – in het Papiaments – terug als cuentanan di Nanzi en in Suriname heten ze in het Sranantongo Anansi-tori. Allebei betekent dat letterlijk Anansiverhalen. De verhalen hebben zich wel aangepast aan de nieuwe omgeving. Sommige verhalen spelen zich nu op plantages af waar Anansi bijvoorbeeld voor de koning werkt. De ene keer moet hij hinderlijk onkruid wegkappen, de andere keer aardappels rooien of meehelpen om suiker te kappen en te verwerken. Daarnaast heeft Anansi nog maar weinig tot geen contact meer met de spirituele wereld: de oppergod Nyame is bijvoorbeeld vervangen door Tijger. Meer nog is Anansi symbool geworden voor de machteloze, onderdrukte Afrikaan op de plantages en Tijger de machtige onderdrukker. De kleine Anansi weet dat hij veel minder sterk is dan Tijger, maar hij is hem altijd te slim af. Zoek op Youtube op Nanzi en Tijger voor een verhaal in het Papiaments (Nederlands ondertiteld) uit het project “Anansi Masters”  over Kompa Nanzi en Cha Tigu zoals ze in het Papiaments heten.

Uit deze en de honderden andere filmpjes van Anansi Masters blijkt dat het vertellen van Anansi-verhalen nog altijd gebeurt op de Antillen, Suriname, Ghana, Nederland en nog vele andere plaatsen in de Caraïben en zelfs de Verenigde Staten. Op de Maagdeneilanden is Anansi ook een bekend figuur. In het Afro-Vlaams van de huidige Amerikaanse Maagdeneilanden (gesproken tussen grofweg 1800 en 1987) zijn er ook Anansi-verhalen overgeleverd. Deze verhalen draaien meestal rond Anansi en Tekoma. De naam Tekoma komt van Ntikuma, die in de oorspronkelijke Asante verhalen de oudste zoon van Anansi is. In de overgeleverde verhalen van de Amerikaanse Maagdeneilanden wordt Tekoma afwisselend aangeduid als Anansi’s schoonzoon, schoonvader of zwager. Tekoma vervult ook vaak de rol die bijvoorbeeld Tijger inneemt in versies in het Papiaments of het Sranantongo.

Onderstaand is een verhaal in het Afro-Vlaams van Anansi en Tekoma die inbreken in het huis van de dzjumbi (‘geesten’) om hun eten te jatten. De dzjumbi (dit woord heeft dezelfde oorsprong als het woord zombie) zijn geesten. Het verhaal illustreert een andere kant van Anansi. Hij staat namelijk niet alleen bekend om zijn slimheid, maar ook om zijn gulzigheid die hem geregeld in de problemen brengt.

 

Tekoma a loo a di zjumbi sji hus ‘Tekoma liep naar het huis van de geesten.’
Weni am a loo, am a hoo weni di dzjumbi a see praat a di hus: ‘Terwijl hij liep, hoorde hij hoe de geesten tegen hun huis zeiden:
meme ko meme! “Meme ko meme!”’
Di hus a hopo. ‘Het huis kwam omhoog.’
Weni am a loo abini, am a see di hus: ‘Toen hij naarbinnen ging, zei hij tegen het huis:
dzjoro ko dzjoro! “Dzjoro ko dzjoro!”’
Di hus a sak nee. ‘Het huis zakte naar beneden.”
Nu weni Tekoma a loo abini di hus, am a nee sji duksak jit. ‘Toen Tekoma in het huis liep, vulde hij zijn zak met eten.’
Dan am a draai ko a hus mi di. ‘Daarna keerde hij daarmee terug naar huis.’
Weni Anansji, sji skonbutji, a loo a Tekoma sji hus, Tekoma a gi am bitji fan di jit. ‘Toen Anansi, zijn zwager, naar Tekoma’s huis liep, gaf Tekoma hem een beetje van het eten.’
Dan Anáánsji a see a Tekoma, wapi am kaa kri alma di fraai gut so. ‘Toen vroeg Anansi aan Tekoma, waar hij al dat lekkers vandaan had.’
As am no kan draak am fo gi am fo listáá am kri bitji oka. ‘Als hij hem daar niet heen kan brengen, dan moet hij hem wat geven zodat hij er ook wat van krijgt.’
Tekoma a see am: jaa, mi sa draa ju, loo me mi. ‘Tekoma zei tegen hem: “Ja, ik zal je erheen brengen, ga maar met me mee.”’
Bot ju no mi fraai. ‘“Maar jij bent niet te vertrouwen.”’
Am a see a Tekoma: jaa, mi sa bidráág misél leik een jung man. ‘Hij zei tegen Tekoma: “Jawel, ik zal me als een jonge man gedragen.”’
So Tekoma ha see am: weni ju ho di eestǝ hundukreew, ju kan nee ju duksak ko fin mi. ‘Tekoma zei tegen hem: “Als je de eerste hanenkraai hoort, kun je je zak nemen en naar mij toekomen.”’
Weni dis Tekoma a tu sji do fo loo slap, dan Anáánsji a ko, so los alma sji hundu abit abini di yard. ‘Toen Tekoma zijn deur net dicht had om te gaan slapen, toen kwam Anansi en liet al zijn kippen los in de tuin.’
So am a kri bini di kubi loo kreew lek di hunduhaan. ‘Hij kroop het kippenhok in terwijl hij kraaide als een haan.’
Bot Tekoma weet, na wees di tit fan loo a di dzjumbi sji hus. ‘Maar Tekoma wist dat het geen tijd was om naar het huis van de geesten te gaan.’
Am no wel hopo tee weni di a wees tit fo am fo loo. ‘Hij wou niet opstaan totdat het tijd was om te gaan.’
Weni di a wes tit, dan di twee fa sinu a loo mangkandu. ‘Toen het tijd was, gingen ze samen met zijn tweeën.
Dan weni sini a kri a di hus, am a see di hus: ‘Toen ze bij het huis waren, zei hij (=Tekoma) tegen het huis:
meme ko meme! “Meme ko meme!”’
Di hus a ris op. ‘Het huis kwam naar boven.’
Di twee fa sinu a loo abini. ‘Ze gingen allebei naar binnen.’
Weni am a kri loo abini, am a see di hus: ‘Toen hij binnen was, zei hij tegen het huis:
dzjoro ko dzjoro! “Dzjoro ko dzjoro!”’
Di hus a sak nee. ‘Het huis zakte naar beneden.’
Dan di twee fa sinu a wes abini di hus fo loo ful sin duksak fo kom it. ‘Toen waren ze met zijn tweeën in het huis om hun zak te vullen om vervolgens naar buiten te komen.’
Tekoma am a ful sji duksak, am a kom it. ‘Tekoma vulde zijn zak en kwam naar buiten.’
Anáánsji am a bli daa loo jit. ‘Anansi bleef daar eten.’
Na wel ful sji duksak, fo kom it. ‘Hij wou zijn zak niet vullen om vervolgens naar buiten te gaan.’
So am a listáá am daa. ‘Dus liet hij (=Tekoma) hem daar achter.’
Weni di dzjumbi sinu a ko, nu am na kan fin wa fo see a di hus fo kom it. ‘Toen de geesten kwamen, wist hij niet meer wat hij tegen het huis moest zeggen om naar buiten te kunnen.’
Am a loo a di hasjisji a di dzjumbi sinu fíple loo dig een fosikl gat daa, so loo abini. ‘Hij liep naar de as van de open haard van de geesten, groef een enorm gat en ging erin zitten.’
Dan weni di maa a see een fan di kin fo loo maa fi, weni am a loo a di fíple, alma am a ki, hogo aléé. ‘Toen de moeder (van de geesten) één van haar kinderen de opdracht gaf vuur te maken en hij naar de open haard liep, zag hij alleen maar ogen.’
Am a kurí ko see di maa: maa, hasji ha hogo. ‘Hij rende terug en zei zijn moeder: “Mama, de as heeft ogen.”’
Di maa a see am: neen, mi kin, hasji no ha hogo. ‘De moeder zei tegen hem: “Nee, mijn kind, as heeft geen ogen.”’
Am a draai a di fíple werán. Am a loo. ‘Hij liep weer terug naar de open haard.’
Weni am a draai a di fíple werán, am a draai bak a sji maa. ‘Toen hij weer bij de open haard was, ging hij terug naar zijn moeder.’
Am a see sji maa: maa, hasji ha hogo. ‘Hij zei tegen zijn moeder: “Mama, de as heeft ogen.”’
Sji maa a see am: neen, mi kin, hasji no ha hogo. ‘Zijn moeder zei tegen hem: “Nee, mijn kind, as heeft geen ogen.”’
Am a see: jaa, maa, as ju ding, mi loo see een lik, ko ki. ‘Hij zei: “Jawel, mama, als je denkt dat ik lieg, kom dan maar kijken.”’
Weni di maa a ko a di fíple, am a ki Anáánsji hogo. ‘Toen de moeder naar de open haard kwam, zag ze Anansi’s ogen.’
Dan sini a tre am abit. ‘Toen trokken ze hem eruit.’
Dan sini a fraag am: wa mi fo du mi ju nu? ‘Toen vroegen ze hem: “Wat moet ik nu met jou doen?”’
Am a see sinu: hang a fo gentlemen. ‘Hij zei tegen ze: “Ophangen.”’
Sinu a fraag am: wel, see mi, wa mi fo du mi ju. ‘Ze vroegen hem: “Nou, zeg me eens, wat moet ik met je doen?”’
Am a see, sinu fo rapó am, gooi am obu di hogis venstu sini ha daa, sini kri sji nek bree, taa am loo a hel eenmaal. ‘Hij zei dat ze hem moesten oppakken, hem uit het hoogste raam dat ze hebben moesten gooien, zodat hij zijn nek breekt en naar de hel gaat.’
Weni sinu a ris am, am a ha sji tou. ‘Toen ze hem optilden, had hij zijn touw (=spinnenrag?).’
Sinu a ris am. ‘Ze tilden hem op.’
Am a dzjis low amsél a gron, am kurí loo about sji business. ‘Hij liet zich gewoon op de grond zakken, hij rende weg en ging zijn gang.’
So sini nu a kri fo du am eenestǝ gut werán. ‘Dus het lukte ze niet om hem nog eens iets aan te doen.’

 

Bronvermelding:

  1. African Studies Centre Leiden. Asante kingdom. Geraadpleegd op 24 november 2014 via http://www.ascleiden.nl/content/webdossiers/asante-kingdom.
  2. Anansimasters.net Geraadpleegd op 24 November 2014.
  3. Duin, Lieke van (1995) [2004]. Anansi als klassieke held. Zijn de Afro-Caraïbische Anansi-verhalen klassiek? In Helma van Lierop-Debrauwer, Piet Mooren, Pieter Quelle en Herman Verschuren (Red.), Zo goed als klassiek (pp. 173-182). Den Haag: NBLC Uitgeverij. Geraadpleegd op 24 november 2014 via http://www.dbnl.org/tekst/duin008anan01_01/duin008anan01_01_0001.php
  4. Josselin de Jong, J.P.B. de (1926). Het huidige Negerhollandsch (Teksten en Woordenlijst). Amsterdam: Koninklijke Akademie van Wetenschappen. (Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam Nieuwe Reeks 26)
  5. Marshall, Emily Zobell (2007). Liminal Anansi: Symbol of order and chaos. An exploration of Anansi’s roots amongst the Asante of Ghana. Caribbean Quarterly, 53, nr. 3, 30-40.
  6. Twi.bb: Online dictionary for the Twi language of the Akan people of Ghana in West Africa. Geraadpleegd op 8 december 2014 via twi.bb.