Suikerplantage Constitution Hill op St. Croix, ca. 1840. Bron: www.slaveryimages.org, compiled by Jerome Handler and Michael Tuite
Suikerplantage Constitution Hill op St. Croix, ca. 1840. Bron: www.slaveryimages.org, compiled by Jerome Handler and Michael Tuite

‘Afro-Vlaams’ in de Caraïben

Wist je dat de Amerikaanse Maagdeneilanden, ten oosten van Puerto Rico, niet al te ver van Cuba, van 1672 tot 1917 een Deense kolonie waren? En dat in deze kolonie heel veel Vlamingen en Nederlanders woonden? In de eerste zeventig jaar van deze kolonie was het Nederlands daar zelfs zó belangrijk dat men het gebruikte in officiële documenten (in plaats van in het Deens). Deze Nederlanders en Vlamingen lieten met name katoen, voedsel en suiker verbouwen door (West-)Afrikanen die zij als slaaf misbruikten. En deze laatsten hebben in de kolonie een taal gecreëerd die veel woorden gebruikt van specifiek West- en Zeeuws-Vlaamse afkomst. Tegenwoordig wordt deze taal niet meer gesproken, maar met name in de 18e en de 19e eeuw was het de moedertaal van veel bewoners van de drie Deense (nu Amerikaanse) Maagdeneilanden.

Die Creol Taal

By: Wikipedia

bron: Wikipedia

Deens West-Indië werd gesticht op St. Thomas en breidde zich later uit naar de twee naburige eilanden St. Jan en St. Croix. In 1718 eigenden de Denen zich St. Jan toe. In de daaropvolgende jaren trokken met name Nederlandstalige plantagehouders met hun slaven van St. Thomas naar St. Jan. De taal die op de relatief kleine plantages van St. Thomas is ontstaan, werd uiteindelijk de taal van de tot slaaf gemaakte Afrikanen en hun nageslacht. De taal die ontstond werd door Europeanen die creol taal, de creooltaal genoemd. Het woord creool is hier gebruikt in de betekenis van ‘geboren in de Caraïben/West Indië’. Deze benaming werd ook door de daar geboren kolonisten gebruikt om hun eigen, Caribische identiteit te onderstrepen. Al vroeg in de 18e eeuw zijn ook de Europeanen onderling creool gaan praten, naast de eigen en waarschijnlijk andere Europese talen.

Sugar Plantation and Slave Settlement, St. John, Virgin Islands, 1833; Image Reference NW0089, as shown on www.slaveryimages.org, compiled by Jerome Handler and Michael Tuite, and sponsored by the Virginia Foundation for the Humanities and the University of Virginia Library.

Suikerplantage Estate Carolina, Koraalbaai, St. Jan. 1833. Bron: www.slaveryimages.org, compiled by Jerome Handler and Michael Tuite

West-Vlaamse woorden

Tegenwoordig is deze taal internationaal vooral bekend als het Negerhollands. In de vroege negentiende eeuw, toen deze naam ontstaan is, werd het woord neeger standaard gebruikt voor tot slaaf gemaakte Afrikanen en de term heeft vandaag de dag nog net zo’n racistische lading als toen. Ook met het tweede deel van de naam is iets aan de hand. Het woord ‘hollands’ is namelijk niet heel gelukkig gekozen, want het zijn vooral de West- en Zeeuws-Vlaamse dialecten die de meeste invloed hebben gehad. Taalwetenschapper Cefas van Rossem situeert de invloedrijkste dialecten in de driehoek Brugge – Oostende – Vlissingen. De (noordelijk) West-Vlaamse invloed blijkt heel duidelijk uit de woordenschat van het creools. Een respectvollere en ook toepasselijkere naam zou dus Afro-Vlaams zijn.

Creool West-Vlaams Standaard-Nederlands
disendag dissendag ‘dinsdag’
jender ginder ‘jullie’
sender sinder ‘zij’ (meervoud)
fraai fraai ‘mooi, goed, zoals het hoort’
almaa(l) die man
allemaal de mannen ‘alle mannen’
dink op dinken op ‘denken aan’
kom (kwaat) (kwaad) komen ‘(kwaad) worden’

Ondanks dat de meeste plantagehouders van St. Thomas Nederlandstalig waren, waren er ook grote groepen Engelsen, Fransen en Denen en mensen van nog veel meer andere nationaliteiten. Als gevolg hiervan treffen we woorden van heel verschillende oorsprong in de taal aan:

Creool Nederlands
koeríé < Frans courir ‘rennen’
dig < Engels dig ‘graven’
frokós < Deens frukost ‘ontbijt’
kabá > Port./Sp. acabar ‘afmaken’
mata > Port./Sp. matar ‘doden’
kabrita > Port./Sp. cabrita ‘geit’

 

Afrikaanse invloeden

De Afrikanen die de creooltaal van de Maagdeneilanden gecreëerd hebben, waren met name afkomstig uit het hedendaagse Ghana. Hun moedertalen waren hoogstwaarschijnlijk varianten van het Akan, de meestgesproken taal in Ghana, het Ga en het Ewe. Invloed van deze talen zien we niet of nauwelijks terug in de woorden van de creooltaal zelf, maar wel in de uitspraak en het gebruik ervan. Het Akan, Ga en Ewe hebben bijvoorbeeld alle drie geen woorden met een medeklinker aan het eind van een lettergreep, of lettergrepen met meer dan één medeklinker aan het begin. Het Nederlands heeft dat wel, zoals in het woord stuur. Dat bestaat dus uit één lettergreep met twee medeklinkers, <s>+<t>, aan het begin en één, <r>, aan het einde. Dit woord is dus mogelijk lastig uit te spreken voor een Ghanees. En inderdaad, dit zien we terug. In de creooltaal werd het werkwoord stier ‘sturen’ gebruikt, afgeleid van het Zeeuws/Vlaamse stieren met dezelfde betekenis. Dit werd meestal als stie uitgesproken – dus zonder <r> aan het einde – en door sommige sprekers zelfs als tie: die lieten de <s> voor de <t> dus ook nog weg.

By: David Barnas

Bewoner van St. Jan. By: David Barnas

Sommige elementen kunnen we wel redelijk specifiek tot een bepaalde taal terugvoeren. Zoals het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud (zij/ze/hun/hen). De creooltaal gebruikt hiervoor altijd een afgeleide van de vorm sender, ongeacht of het het onderwerp van de zin is, het lijdend voorwerp, of een bezittelijk voornaamwoord. In de loop van de tijd is de uitspraak van dit woord veranderd in sinu/senu of sini. In het Afro-Vlaams is dit niet alleen een voornaamwoord, maar wordt het ook gebruikt om het meervoud van een zelfstandig naamwoord aan te geven. Vergelijk de volgende twee zinnen maar:

(1) Foditmaa sinu a see a di maa, am ha mushi stibu.
want zij(mv) zei aan de moeder, hij/zij heeft veel stuiver
‘Want zij zeiden tegen hun moeder, dat hij veel geld heeft.’
(2) As ju mangkéé mi fo gi ju jet a di bak me andu kin sinu…
als jij wilt mij voor geef jou eten op het bord met ander kind zij(mv)
‘Als je wilt dat ik je je eten op het bord geef,
tegelijk met/zoals bij de andere kinderen…’

Het gebruik van het woord sinu ‘zij’ om het meervoud ‘kinderen’ te vormen (voorbeeld 2) komt precies overeen met hoe je dat in het Ewe doet (voorbeeld 4):

(3) -dzó xóxó
zij(mv)-weggaan al
‘Ze zijn/waren al weg.’ (Ameka 2008)
(4) Kofí fíá ɖeví-á- akɔ́nta
Kofi leert kind-het-zij(mv) wiskunde
‘Kofi leerde de kinderen wiskunde.’ (Ameka 2006)

 

Het verdere lot van de taal

St. Thomas en St. Jan zijn de eilanden waar de creooltaal het wijdst verbreid was. Er was echter een groot verschil tussen de twee eilanden dat verbonden was met het lot van de taal. St. Thomas was niet ideaal voor plantages: het terrein was heuvelachtig en niet heel vruchtbaar, waardoor de opbrengsten tegenvielen. Daarentegen had St. Thomas een bijzonder succesvolle vrijhaven ontwikkeld in de enige stad: Charlotte Amalie. Hierdoor werd handel enorm belangrijk en ontstond er een trek van de plantages (het platteland) naar de stad, waar het Engels de dominante taal geworden was. De Nederlands-Vlaamse creooltaal werd hier dus langzaam vervangen door Engels en een Engelse creooltaal. Hoewel het uitsterven van de taal al vroeg in de 19e eeuw verwacht werd, wist de taal zich op St. Thomas nog tot in de 20e eeuw te handhaven.

Suikermolen op Annaberg, St. Jan; By: John

Oude suikermolen bij de ruïnes van de Annaberg Suikerplantage, St. Jan; By: John

Op St. Jan was er geen stad. Het hele eiland was ingericht op plantages, die aanzienlijk groter waren dan op St. Thomas. Hierdoor wist de creooltaal zich in de 19e eeuw ook beter te handhaven dan op St. Thomas. Toch viel er ook hier niet aan het lot te ontkomen. In 1922-1923 heeft de Leidse wetenschapper Jan de Josselin de Jong nog negen sprekers weten te vinden (drie van St. Thomas, zes van St. Jan) die hem een hele reeks volksverhalen en sprookjes verteld hebben. In de jaren zeventig bleken er nog een handvol sprekers te zijn. De laatste spreekster, Ms. Stevens is in 1987 overleden. De wetenschappers Gilbert Sprauve en Robin Sabino hebben met haar samengewerkt en daarbij opnames gemaakt. Robin Sabino heeft enkele van de door haar gemaakte opnames als bijlage bij haar recente boek Language contact in the Danish West Indies: Giving Jack his jacket geleverd en deze mogen wij ook gebruiken op Stemmen van Afrika. De volgende twee zinnen bevatten het woord sender (sen/senu) in verschillende functies. Ze bestaan alleen maar uit woorden van Nederlandse oorsprong. Begrijp je wat Ms. Stevens zegt?

(3)

sen mi bang mi kap senu mi di steen.

(4)

wɛnɛ ju pik senu fam bo di bom, ju was senu.

NB: Benieuwd naar de vertaling? Die staat onder de literatuurlijst…

 

Literatuurlijst

  1. Ameka, Felix K. (2006). Ewe serial verb constructions in their grammatical context. In: Alexandra Y. Aikhenvald and R.M.W. Dixon (eds.), Serial verb constructions: A cross-linguistic typology, pp. 124-143.
  2. Ameka, Felix K. (2008). Aspect and modality in Ewe: a survey. In: Felix Ameka & Mary Esther Kropp Dakubu (eds.), Aspect and modality in Kwa languages, pp. 135-194. Amsterdam: John Benjamins.
  3. Ofori, Seth Antwi. (2006). Topics in Akan grammar. Proefschrift aan de Indiana Universiteit.
  4. Rossem, Cefas van & Hein van der Voort. (1996). 250 years of Negerhollands texts. Die Creol Taal. Amsterdam: Amsterdam University Press.
  5. Rossem, Cefas van (2000). Het Negerhollands, Negerzeeuws, Negervlaams? In: Jan Berns & Jaap van Marle (eds.), Overzees Nederlands, pp. 40-62. Amsterdam: Meertens Instituut.
  6. Sabino, Robin. (2012). Language contact in the Danish West Indies: Giving Jack his jacket. Leiden: Brill.
  7. Stolz, Thomas (1986). Gibt es das kreolische Sprachwandelmodell? Vergleichende Grammatik des Negerholländischen. Europäische Hochschulschriften. Reihe 21, Linguistik 46. Frankfurt am Main: Lang.
  8. Vercoullie, J. (1919). Negerhollands molee, Afrikaans boetie, katjipiering, bibies, bottel, ou sanna, ewwatrewwa, foolstruis. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 38: 302-306.

 

Vertaling voorbeeldzinnen:

(3) ‘ze zijn bang dat ik ze met de steen (af)kap/hak.’

(4) ‘wanneer je ze van de boom plukt, dan was je ze.’